Suikergehalte hooi: DIY bepaling

Het suikergehalte in zowel krachtvoeding als in ruwvoer is een zeer belangrijk aandachtspunt in het houden van paarden.
Maar hoe weet je hoeveel suiker er in je hooi zit? Of in het gras op je weide?
Vooral tijdens het graasseizoen mag het risico op hoefbevangenheid, met name bij onopgemerkte insulineresistentie, niet worden onderschat!
Onderaan vind je een stappenplan!

Suikerinname

Paarden die 24/7 weidegang krijgen, eten 40-50kg gras ≈ 10 kg hooi per dag. Bij een suikergehalte van 8% (=80g/kg) in vers gras hebben we het dus over 3,2kg – 4kg suiker dat dan in 24 uur wordt opgenomen.
Er zijn aanwijzingen in de literatuur dat slechts ongeveer 25% ervan aanwezig is als mono- en disachariden (suikers) die direct in de dunne darm direct als suiker in het bloed worden opgenomen. Een deel van de suiker zit ook in verbindingen die niét in de dunne darm verteerd kunnen worden: namelijk fructaan. Dus als je aanneemt dat in het voorbeeld ongeveer 25% van de gemeten suikerverbindingen mono- en disachariden zijn, heb je het dus over 1kg suikerinname in 24 uur. Dus een hele zak huishoudsuiker!!

Wat wordt er nu aangeraden?
– Algemeen: hooi met een suikergehalte onder de 10% (stel: 10kg hooi = max 1kg suiker)
– Suikergevoelige paarden/paarden met stofwisselingsproblemen: hooi met een suikergehalte onder de 6%. (stel: 10kg hooi = max 600gr suiker)

Welke positieve of negatieve invloed heeft beperkte weidegang?
Als je paard korter weidegang heeft, bijvoorbeeld slechts 1 uur per dag, kunnen ze hun eetsnelheid verhogen en tot 4 keer sneller gaan eten! Dat betekent dus dat ze in plaats van 2kg per uur bij 24/7 weidegang, 8kg per uur op kunnen nemen als ze 1 uur per dag op de wei staan. Dat zijn dus meer dan 50 suikerklontjes in een uur.

Het is dus ook verstandig om niet alleen je hooi, maar ook de vegetatie in je weide op suikergehalte te testen. Hoe lager, hoe beter voor de paarden. Als je een vegetatie van sobere grassen en kruiden in de weide hebt, kom je al gauw op een suikergehalte van 2-3%. Dat heeft een heel ander effect op de bloedsuikerspiegel dan een weiland met suikerrijk gras (in Engels raaigras kan tot wel 36% suiker zitten!).
Ook bij de volgende keer dat je hooi koopt, kun je met de refractometer een snelle schatting maken van het suikergehalte. Na aanleiding daarvan beslissen of je deze hooipartij wel wilt kopen of dat het te suikerrijk is.
(zie laatste onderdeel: DIY)

Het suiker gehalte in een opgestuurd monster

Om te weten te komen hoeveel suiker er in het ruwvoer zit, worden er meestal monsters van het voer genomen en opgestuurd naar een laboratorium om te laten analyseren. Het duurt meestal 1 tot 2 weken om het resultaat te krijgen. In deze tijd kan het suikergehalte in het monster alweer veranderd zijn. Dit komt doordat het niet alleen fluctueert met de vegetatie, maar ook in de loop van de dag, van dag tot dag en vooral met het weer. Dat betekent dat het suikergehalte in het resultaat, 2 weken later, er anders uit kan zien dan toen je het monster nam. Alsook bestaat een lot met hooibalen soms uit balen afkomstig van verschillende weilanden, waardoor dit ook weer varieert.

Elke Malenke heeft een zowel ingenieuze als eenvoudige methode bedacht, om met behulp van een standaard refractometer het suikergehalte in hooi te bepalen.

Hieronder staat het stappenplan zodat je het als paardeneigenaar makkelijk thuis kan uitvoeren.
De bepaling van het suikergehalte in gras is nog makkelijker. Je hoeft alleen maar het verse gras af te snijden, te wegen, uit te knijpen en de druppels direct op de refractometer te leggen. Je hebt dan al meteen een globaal idee van hoe suikerrijk je weiland is.
De suikergehaltes die in de literatuur worden vermeld, zijn altijd gebaseerd op het droge stof gehalte. Bij hooi mag je er van uit gaan dat je meting redelijk in de buurt komt (eventueel 1-2% afwijkend van de in het laboratorium gemeten waarde) van de werkelijke droge stof. 
Bij gras moet je met andere hoeveelheden rekenen, omdat het een hoger vochtgehalte heeft. Je kunt er van uitgaan dat 100 gram gras, ongeveer zo’n 20-25 gram hooi zou worden. Dat betekent dat je het gemeten suikergehalte keer 4 of 5 moet doen (weelderig gras x5, droger gras x4) om de globale waarde in droge stof te krijgen.

Rekenvoorbeeld: 100g vers, sappig gras uit het weiland heeft een suikergehalte van 8%, dat komt overeen met 80g in een kilo van dit gras. 1 kilo van dit gras verandert als het wordt gedroogd in ca. 200g hooi. Je moet dan dus de gemeten waarde (80g) keer 5 doen: 80×5 = 400g suiker in 1kg hooi. Dan heb je dus de geschatte waarde omgerekend naar droge stof, dus 400g suikerverbindingen in 1kg droge stof.

DIY: Hoe bepaal je nu het suiker gehalte thuis?

Benodigdheden

  • 50 tot 100 gram hooi
  • Digitale keukenweegschaal met een meetnauwkeurigheid van +/- 1g
  • Diepvrieszak van 3L
  • (Wijn)Refractometer met 0 – 32 % Brix
  • Knoflookpers
  • Schoon bord/kom
  • Transferpipet (pasteurpipet; meestal meegeleverd met de refractometer)

Stap 1. Haal het hooi uit verschillende delen van de baal en meng het goed. Stel de weegschaal met de diepvrieszak erop in op 0 (tare). Dit zodat het gewicht van de zak van het gemeten gewicht wordt afgetrokken (of noteer het gewicht van de zak en trek deze later van het gemeten gewicht af).
Doe 50-100g hooimonster in de zak en weeg dit af.

Opmerking: om een gemiddelde waarde voor een weide te krijgen, moeten meerdere balen uit verschillende delen van de weide apart worden gemeten. Vervolgens kun je van die verschillende waardes dan het gemiddelde berekenen.

Stap 2. Voeg dezelfde hoeveelheid water toe aan het hooi in de zak. Dus bij 50g hooi, 50g water toevoegen. Bij het toevoegen van het water zo mogelijk al het hooi natmaken en vervolgens de gesloten zak een beetje “kneden”. Pas daarbij op dat er geen water verloren gaat en de zak niet beschadigt.

Stap 3. Verdeel het hooi in de zak, laat de lucht uit de zak en sluit de zak. Vervolgens een uur onder bijvoorbeeld een boek laten liggen. Na ca. 30 minuten de zak omdraaien, eventueel nog een keer kneden en dan het hooi weer in de zak verdelen en weer onder het boek terugleggen.
Als alternatief kan de zak ook direct worden ingevroren en later worden gemeten. Maar dan moet de zak bij het invriezen ook worden verzwaard met iets, zodat het water het hooi gelijkmatig natmaakt.

Stap 4. Na een uur (als het hooi bevroren was, moet het ongeveer 45 minuten ontdooien), doe je een klein deel van het hooi in een knoflookpers en pers het uit op een bordje.

Opmerking: als er slechts 1 of 2 druppels uit kunnen worden geperst, kun je deze direct op de refractometer druppelen. Als er meer druppels uit komen, druppel ze dan eerst op het bordje en vervolgens met de transferpipet (pasteurpipet) 2-3 druppels hiervan op de refractometer aanbrengen.

Stap 5. Sluit het deksel van de refractometer en lees het suikergehalte op de schaal af

Stap 6. Herhaal stap 4 en 5 meerdere keren en bereken uit de gemeten waarden het gemiddelde. Veeg tussen de metingen door, de refractometer en het bord af met een zachte doek, zodat er geen restjes vloeistof meer op zitten van het vorige monster. Zorg er ook voor dat er geen vloeistofresten in de transferpipet zitten, spoel hem eventueel tussendoor uit met kraanwater en haal dan het water weer zoveel mogelijk weg.

dierenartsen de vlinderbeek

 

Heb je al deze stappen doorlopen? Gefeliciteerd! Dan heb je succesvol het suikergehalte in je hooi of gras gemeten. Dit is waardevolle informatie om je eventuele rantsoen/ruwvoerkwaliteit/weidekwaliteit te verbeteren.